Trombonist Tim Dowling neemt afscheid van het Residentie Orkest
“Op het podium, voor een volle zaal: dát ga ik het meest missen”
Na bijna vijftig jaar in orkesten te hebben gespeeld, waarvan sinds november 1988 bij het Residentie Orkest, neemt trombonist Tim Dowling deze zomer afscheid. Met pensioen gaan vindt hij “best spannend”, zegt hij eerlijk. Niet omdat hij bang is voor een zwart gat, maar omdat het vak zo diep in hem verankerd zit. “Vanaf mijn veertiende, vijftiende wilde ik niets anders dan dit. Musicus zijn is een roeping.”
Zijn komst naar Den Haag was allesbehalve gepland. Dowling werkte als plaatsvervangend trombonist bij het Sydney Symphony Orchestra en reisde in de zomer van 1988 naar Europa voor een proefspel bij het hr-Sinfonieorchester in Frankfurt. “Ik had graag in Duitsland willen werken. Ik zat al tien jaar in Australië en wilde voor mijn dertigste iets van de wereld hebben gezien.” Het proefspel liep door griep niet zoals gehoopt. Met twee vrije weken voor zich huurde hij een auto en reed naar Den Haag, waar hij een trompettiste kende.
Residentie Orkest
Op de avond van zijn aankomst in Den Haag kwam toevallig Malcolm Morton, trompettist van het Residentie Orkest, langs. “We gingen een biertje drinken. Hij vertelde dat er net een proefspel trombone was geweest, maar dat niemand was aangenomen.” Binnen een paar dagen speelde Dowling voor. “Toen boden ze me een contract aan voor een jaar. Dus plotseling was ik in Den Haag.”
Zijn eerste repetitie, november 1988, staat hem nog helder voor de geest. “Het was een koorbegeleiding met het Christelijk gemengd koor ASAF. We speelden het Requiem van Dvořák, het was wat rommelig allemaal en ik dacht: ‘Wat heb ik nou gedaan?’ Maar kort daarna volgden de grote symfonische programma’s, onder meer met gastdirigenten Yoel Levi en Aldo Ceccato. “Toen merkte ik dat dit een heel bijzonder orkest was.”
Wennen
Helemaal vanzelf ging het niet die eerste periode. De winter, de taal, het zoeken naar een woning, het was even wennen. “Ik had best een cultuurshock. Maar ik werd al snel heel goed opgenomen in het orkest.” Via Australische musici leerde hij bovendien zijn toekomstige vrouw Anna kennen. “Op een gegeven moment had ik hier een leven.”
Van Otterloo
Een bijzondere lijn verbindt Tim al langer met de geschiedenis van het Residentie Orkest: Willem van Otterloo. Als student in Melbourne hoorde hij diens laatste repetitie. “Hij repeteerde Beethovens Negende symfonie. Ik zou de week erna remplaceren en kroop achterin de oude bioscoopstudio om even te luisteren. De volgende ochtend hoorde ik op de radio dat Van Otterloo die nacht was verongelukt.” Pas later, toen Tim de betekenis van Van Otterloo voor het Residentie Orkest beter leerde kennen, voelde die herinnering als een soort voorbode.
In de decennia die volgden maakte hij grote dirigenten, tournees en zalen mee. Hans Vonk maakte diepe indruk, ondanks de latere spanningen binnen het orkest. “Mahlers Negende symfonie met hem was bijzonder. En de Achtste symfonie van Bruckner op tournee in Oost-Berlijn, net na de val van de Muur. De hele bus werd nog gecontroleerd. Dat concert was een van de beste die ik ooit heb gespeeld.” Ook Jevgeni Svetlanov noemt hij zonder aarzeling. “Zijn eerste repetitie, Brahms 2, was een openbaring. Hij sprak nauwelijks, maar kon in zijn gebaren precies laten zien wat hij wilde.”
Verandering
Het orkest veranderde in al die jaren ingrijpend. “Bijna iedereen is nieuw, en toch is het Residentie Orkest te herkennen.” De klank veranderde mee met de zalen. Van de wat wollige akoestiek van de Dr. Anton Philipszaal naar het Zuiderstrandtheater en uiteindelijk Amare. “Ik ben heel blij dat ik deze Concertzaal in Amare nog heb mogen meemaken. We spelen daar ontspannener, minder fors. Het is een goede stap vooruit.” Wat volgens hem bleef, is de lyriek. “Tijdens repetities was vroeger niet altijd alles efficiënt, maar op het concert gebeurden de mooiste dingen. Dat ongelooflijk lyrische spelen is altijd een sterk punt van dit orkest geweest.”
Brassband
Tim wist al jong dat de trombone zijn instrument moest worden. Zijn vader was Anglicaans predikant én een goed musicus. Thuis was muziek vanzelfsprekend. “Ik zag als kind een brassband marcheren en vond dat spectaculair. Ik wilde trombone spelen, maar was nog te klein. Daarom begon ik op trompet.” Op zijn dertiende stapte hij over en in jeugdorkesten ontwaakte de passie definitief. “The Planets van Holst, Ravels Boléro: dat was alles voor mij.”
Hoewel hij ook baroktrombone speelde en lesgaf, voelt hij zich het meest thuis in het spelen van het symfonische repertoire. “Voor een volle zaal, met een goede dirigent of solist en een enthousiast publiek: dat is de drug. Dat ga ik het meeste missen.” Spanning hoort daarbij. “De Boléro of Mahlers monumentale Derde symfonie blijven extra spannend, maar ik kan er beter mee omgaan dan vroeger. Geen podiumangst, wel verhoogde spanning. En daarna die ontlading, vanuit je collega’s en vanuit de zaal.”
Valkuilen
Stoppen is dus dubbel. “Ik wilde eigenlijk niet stoppen, maar op je 67ste is het eenmaal zo.” Hij merkt dat sommige aspecten van het spelen meer werk kosten dan vroeger. “Snelle passages, power in de lippen: dat verandert. Maar ik ben slimmer gaan studeren. Ik ken alle moeilijke plekjes en valkuilen.”
Een zwart gat verwacht hij niet. Tim wil blijven spelen, maar ook reizen met zijn vrouw, meer wandelen en fietsen, zingen in een goed amateur- of projectkoor, lezen, tijd doorbrengen met zijn kinderen en kleinkinderen. Terug naar Australië gaat hij niet. “Mijn leven is echt hier.” Hij is vooral dankbaar voor wat zijn muzikale carrière heeft gebracht. “Ik heb bijna vijftig jaar als professional in orkesten gespeeld. Mijn eerste baan had ik op mijn negentiende. Ik heb niets gemist.”
Wijn
En dan is er nog de passie voor wijn. Sinds een proeverij rond 2009 groeide Tims belangstelling, vooral voor Duitse wijnen. “Kennis brengt meer plezier. Ik geniet ervan, maar niet te veel.” Op de vraag of hij nog een wijnopleiding wil doen, moet hij lachen: “Nee, daar heb ik denk ik de neus niet voor. Laat mij vooral genieten van al het moois wat nog voor mij ligt!”
Jan Jaap Zwitser