‘Ik heb het eigenlijk nog veel te leuk om te stoppen’
Erik Reinders neemt na bijna veertig jaar afscheid van het Residentie Orkest
Na bijna veertig jaar neemt contrafagottist Erik Reinders afscheid van het Residentie Orkest. Op zondag 1 november a.s. speelt hij tijdens Sjostakovitsj’ Tiende symfonie zijn laatste concert in Amare. Een passend slot, vindt hij, want de contrafagot heeft in dit werk een prachtige partij. Erik blikt terug op vier decennia vol bijzondere concerten, fijne collega’s en muzikale hoogtepunten. Maar ook op een carrière die ooit begon met een blokfluit en een telegram.
Liefde voor lage klanken
Eriks muzikale loopbaan begon niet direct met de fagot. Zoals zoveel kinderen kreeg hij eerst blokfluitles. ‘Dat moest van mijn moeder. Op de lagere school kon je muziekles volgen, maar ik vond het niet heel erg leuk.’ Tijdens een open dag op de plaatselijke muziekschool viel zijn oog (en oor) op de fagot. ‘Ik vond die klank zo mooi, ik bleef er maar naartoe lopen. Uiteindelijk vroeg de docent of ik het eens wilde proberen. Mijn moeder zei nog: dat kind is toch veel te klein? Maar ik kreeg een fagot omgehangen en de docent zei: blaas maar. En dat doe ik eigenlijk nog steeds.’
Zijn voorkeur voor lage instrumenten is altijd gebleven. ‘Ik hou van een donkere, warme klank. Als ik een strijkinstrument had gekozen, was het waarschijnlijk een cello geworden. En bij de koperblazers een hoorn of trombone.’
Tijdens zijn conservatoriumtijd ontdekte Erik de contrafagot. ‘Er stond een heel oud exemplaar en niemand wilde erop spelen. Mij leek het juist ontzettend leuk.' Met hulp van fagottist Maarten Vonk, destijds contrafagottist bij het Balletorkest, en later lessen bij Guus Dral van het Concertgebouworkest, ontwikkelde hij zich verder. Het leverde hem uiteindelijk werk op bij het Balletorkest, het Nederlands Blazers Ensemble en het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Tot in 1987 het Residentie Orkest op zijn pad kwam.
"Het Residentie Orkest heeft zo’n fijne blazersgroep, iedereen was aardig en de sfeer was heel prettig. Dat is eigenlijk altijd zo gebleven!"
- Erik Reinders
Een telegram en een boterham
Zijn eerste optreden met het Residentie Orkest zal Erik nooit vergeten. Hij speelde destijds als vaste remplaçant in Rotterdam toen er bij thuiskomst na een repetitie een telegram op de deurmat lag: of hij onmiddellijk het Residentie Orkest wilde bellen. ‘Hun contrafagottist was door zijn rug gegaan en kon die avond niet spelen. Op het programma stond Ravels Pianoconcert voor de linkerhand, dat begint met een contrafagotsolo. Of ik dat kon spelen, en of ik kon invallen?’ Er was echter één probleem: Erik moest diezelfde avond ook in Rotterdam spelen. ‘Toen stelde de orkestinspecteur voor om het programma in Den Haag om te draaien. Dan kon ik eerst Ravel spelen en daarna zou hij mij snel naar Rotterdam brengen’
Veel tijd om zenuwachtig te worden was er niet. ‘Ik was gewaarschuwd dat dirigent Alain Lombard zich nog tijdens het applaus zou omdraaien en meteen zou beginnen. Goed om te weten natuurlijk, maar het was vooral spannend of ik op tijd zou komen.’ Na zijn optreden stond Peter van Renesse, de toenmalige orkestinspeciënt, buiten met zijn auto met draaiende motor klaar. ‘Hij had zelfs boterhammen voor me gesmeerd. Ik was precies op tijd in Rotterdam.’
Niet veel later kwam er een vaste plek vrij bij het Residentie Orkest. Erik deed proefspel en voelde zich onmiddellijk thuis. ‘Het was alsof ik in een warm bad terechtkwam. Zo’n fijne blazersgroep, iedereen was aardig en de sfeer was heel prettig. Dat is eigenlijk altijd zo gebleven.’
Het fundament van het orkest
Inmiddels speelt Erik zijn veertigste seizoen bij het Residentie Orkest, al maakt hij dat niet helemaal af. Al die jaren wisselde hij de contrafagot af met de tweede fagot. ‘Die afwisseling vind ik ontzettend leuk. Ik zeg altijd: als er veertien fagotten zijn, speel ik de veertiende fagot.’ Een bescheiden uitspraak, want juist in de laagte vervult zijn instrument een belangrijke rol. ‘Als tweede fagottist ben je de bas van de houtblazers. Je moet zorgen voor een stabiel fundament en voortdurend luisteren naar de stemming van de hele groep. En net als met de contrafagot vorm je ook een schakel tussen de houtblazers en de lage strijkers.’
Veertig jaar veranderingen
Sinds 1987 heeft Erik het orkest zien veranderen. Bij zijn komst was de Dr. Anton Philipszaal net geopend. ‘Het orkest moest wennen aan die nieuwe zaal en eigenlijk opnieuw worden opgebouwd. Met Amare hebben we weer zo’n ontwikkeling meegemaakt.’ Ook het niveau is volgens hem enorm gestegen. ‘Vroeger kon de eerste repetitie soms behoorlijk rommelig zijn. Tegenwoordig staat een programma vaak bij de eerste repetitie al als een huis. Ook kijk ik met bewondering naar de jonge generatie. Het niveau waarop jonge musici tegenwoordig spelen is onvoorstelbaar hoog.’ Maar een van de belangrijkste zaken is volgens Erik onveranderd gebleven: de collegiale sfeer. ‘Het is altijd een ontzettend prettig orkest geweest. Mensen staan elkaar niet naar het leven. Dat maakt het heerlijk om hier te werken.’
Wanneer alles op zijn plek valt
Bijna veertig jaar orkestmuziek levert talloze herinneringen op. Eén hoogtepunt aanwijzen vindt Erik moeilijk. Toch zijn er concerten die hem altijd zullen bijblijven. ‘De opera Saint François d’Assise van Messiaen was fantastisch. En ik herinner me een uitvoering van Bruckners Achtste symfonie met Hans Vonk in het toenmalige Oost-Berlijn. Soms kon de samenwerking met hem behoorlijk moeizaam zijn, maar tijdens dat concert viel werkelijk alles op zijn plek.’ Dat waren voor Erik dan ook de mooiste muzikale momenten. ‘Dan lijkt het alsof er ineens een turbo aangaat. Het hele orkest stijgt boven zichzelf uit, en de dirigent ook.’
Aan de concerten met dirigenten als Gennadi Rozjdestvenski en Jevgeni Svetlanov denkt hij met plezier terug. ‘Maar ook de concerten met Jun Märkl en vaste gastdirigent Richard Egarr zijn voor mij altijd hoogtepunten’ Zijn enthousiasme beperkt zich niet alleen tot het grote symfonische repertoire. ‘We hebben fantastische kindervoorstellingen gedaan met kleine ensembles. Daar heb ik ontzettend veel plezier aan beleefd.’ En na al die jaren boeien de bekende orkestwerken hem nog steeds. ‘Als Beethovens Eroica op het programma staat, denk ik nog altijd: geweldig! Het mooie van een stuk vaker spelen is dat je steeds nieuwe dingen ontdekt. Je gaat de structuur beter horen en begrijpen hoe alles met elkaar samenhangt. Een compositie wordt dan bijna een beeldhouwwerk waarin je steeds meer lagen ontdekt.’
Stoppen op een hoogtepunt
Hoewel Erik uitkijkt naar meer vrije tijd, valt het afscheid hem niet helemaal gemakkelijk. ‘Ik heb het eigenlijk nog veel te leuk om te stoppen. Het spelen gaat gelukkig nog goed en ik zou best willen doorgaan. Maar het is belangrijk dat jonge musici ook een kans krijgen. Bovendien staat het orkest er fantastisch voor. We hebben een prachtige zaal, een geweldige nieuwe chef-dirigent en heel goede jonge collega’s. Het is fijn om afscheid te nemen op een moment dat het zo goed gaat.’
‘Natuurlijk zal ik dingen missen, zoals het samenspel, de collega’s, de warme sfeer en natuurlijk de prachtige muziek. En: de mooie nieuwe contrafagot van het orkest! Wat ik minder zal missen, is dat je altijd in je achterhoofd hebt, ook als je een weekje vrij bent, dat je nog iets moet studeren of een goed riet moet maken. Dat gevoel valt straks weg.’
Van contrafagot naar stoomlocomotief
Stilzitten is Erik na zijn pensioen niet van plan. Hij blijft muziek maken en verdiept zich inmiddels ook in de barokfagot. Hij vormt met pianiste Esther Steffens het duo “De zingende contrafagot” waarin de contrafagot een verrassende hoofdrol krijgt. ‘We bewerken liederen, bijvoorbeeld Schuberts Der Erlkönig. Ik speel daarbij juist in het hoge register van de contrafagot, dat je bijna nooit hoort. We geven regelmatig concertjes, bijvoorbeeld een huisconcert of een concertje in een galerie. Dat wil ik graag blijven doen. En vergeet de bergen niet. Al sinds mijn zevende ski ik en jaarlijks maak ik met een van mijn drie zoons in de zomer een meerdaagse huttentocht. Dat is heerlijk om te doen! Ook twee, en binnenkort drie kleinkinderen zullen mij wel bezighouden.'
Daarnaast heeft Erik een opmerkelijke hobby: hij bouwt werkende stoommachientjes en-locomotiefjes. ‘Van messing, brons en staal maak ik allerlei onderdelen. Ik heb al twee locomotiefjes gebouwd. Die belangstelling voor techniek gaat ver terug. Ik heb serieus getwijfeld tussen het conservatorium en werktuigbouwkunde. Mijn ouders dachten dat ik na een jaar muziekstudie misschien toch voor techniek zou kiezen. Maar dat is nooit gebeurd’, lacht hij.
Op 1 november a.s. klinkt met Sjostakovitsj’ Tiende symfonie zijn laatste bijdrage aan het Residentie Orkest. ‘Dat vind ik een prachtige afsluiting. Er zit een mooie, substantiële contrafagotpartij in. Het is geweldig om daarmee te eindigen.’
Jan Jaap Zwitser
Een nieuwe contrafagot
Een bijzonder moment in zijn laatste orkestjaren was de aanschaf van een nieuwe contrafagot, mede mogelijk gemaakt door de Vrienden van het Residentie Orkest. Erik speelde jarenlang op een Heckel uit 1978. ‘Een prachtig instrument, maar de ontwikkeling van instrumenten staat niet stil. Toen ik het nieuwe instrument ging proberen, viel ik zowat van mijn stoel van verrassing. Ik dacht: dit is ongelooflijk!’